Het grafboek (1942)

1  Dit lied is van Muus Jacobse, mijn vader:
ik had mij aan zijn ver bestaan gewend,
maar uit dit grafboek treedt hij tot mij nader,
heb ik zijn eiland in mijn droom herkend.

4  Misschien waren het kinderen op een zolder,
die snippers scheurden van 't vergeeld papier,
misschien dat alles wegdreef in de polder
bij watersnood die drong door reet en kier,

7 En vrouwen van de andere gehuchten
hebben elkaar gewezen naar de brand
en naar de rookwolk aan de westerluchten,
en weer geweten: wij zijn in Gods hand.....

10  Het zegt: in 't jaar zeventienachtentachtig,
een late,stormige Novemberdag,
brachten de mannen  van de werf eendrachtig
Muus Jacobs heen naar waar dit teken lag.

13 En toen in achtienhonderdeenendertig
de man van Neeltje, Tozens Jan genaamd,
stierf en een plaats moest hebben, werd er
een ruiming van het oude graf beraamd.

16 Hoe, heb ik toen gedacht, zal God hem vinden,
als Hij hem roepen zal om op te staan?
Zijn as is uitgestrooid op alle winden,
zijn vlees in alle wateren vergaan.

19 En hij zal wenken, wachtend aan de haven,
Jan Muus, zijn zoon, en Geertje Jans, zijn vrouw,
en al de kinderen die hij heeft begraven
een kleine glinstering, een korte rouw.

22 Zie,aan zijn linkerzij komen tezamen
de vaderen die hij nooit heeft gekend:
God riep ze allen bij hun namen,
hun stevens liggen naar de zee gewend.

25  Zij dragen naar den einder n verlangen,
hun schat die niet verteert door mot of roest,
en God wist alle tranen van hun wangen
en alles werd zoals het worden moest.....

28  die, naar de lichte steden toegedreven,
mij los droomde van de aardse slavernij,
maar blinder voor Gods woorden ben gebleven 
en vaster aan het stof geklemd dan gij.

31 Mijn graf zal wellicht dieper zijn en hechter
dan op het eiland eens het uwe was:
de rust van mijn gebeente stoort geen slechter,
geen storm, geen watervloed verstrooit mijn as.

34 Zult gij mij wel herkennen, verre vaadren,
uw zoon, die eigen vreemde gangen ging,
als wij het eiland aan den einder naadren,
waarheen toch 't eendere verlangen ging?

37  Wij zullen elkaar kennen zonder woorden,
want in Gods handen leggen wij tezaam
al wat ons oog zag, onze oren hoorden
en wij ter dood liefhadden in Gods naam.

2 Het was maar weinig wat wij van hem wisten:
dat hij eens leefde, dat ik naar hem heet,
en dat hij op zijn schuit uitvoer en viste
en 's avonds weer in Marken binnengleed.

5 maar eer geloof ik dat een vlam oploeide,
die 't kleine hoopje lage huizen vrat
en met de boeken krinkelend verschroeide
alle herinneringen die het had.

8 Muus Jacobse, wanneer gij zijt  geboren,
dat schreef de tijd hoog in het wolkenruim:
hij spreekt van u in uitgewiste sporen,
stuifsneeuw en zeezand en verwaaien schuim!

11 En gingen hem twee diep een graf bereiden:
drie diep lag Geertje Jans, zijn eerste vrouw,
en in een kistje aan zijn voeten leiden
zij 't laatste kind, dat naar hem heten zou.

14 De koster spitte de verteerde resten,
twee diep werden de beenderen gerooid,
en het vermolmde stof werd om te mesten
over het weitje bij de kerk gestrooid.

17  Maar die God komen zag in bliksemstralen
en in de storm Zijn boodschap heeft herkend,
zou die in wind en wateren verdwalen?
Zou hij niet slapen in zijn element?

20 Het klotsend water aan de havenpalen,
het groene landschap waar hij heeft geleefd,
de vissen, blikkerend bij het binnenhalen,
de wolkenluchten waar het licht door zeeft.

23 En aan zijn rechterhand zijn uitgevaren
kindskinderen, geboren na zijn dood:
vertrouwd zijn hun gelaten, hun gebaren,
hij heft zijn hand, verwelkomend hun boot.

26 Zal ik dan varen aan uw rechterzijde,
Muus Jacobse, naar wie ik ben genoemd?
Wordt mij uw vissersboot tot vrijgeleide,
wanneer het oordeel aan den einder doemt?

29 die in een vast gebouw van schone woorden
mocht neerknielen en bidden om Gods Geest,
maar die geen vlammen zag, geen wind meer hoorde
en zou verschrikken van een Pinksterfeest.....

32 En deze naam en wat ik heb geschreven,
zal men wel bergen in een boekerij,
en die het vindt, herdenkt wellicht mijn leven:
nooit kan ik zo verloren gaan als gij.

35  O van uw stugge oog ken ik het wezen,
Muus Jacobse, gij zijt mij lang vertrouwd:
ik heb uw teken in dit boek gelezen
en uw gebeente in mijn geest aanschouwd.

3  Maar hoe zijn vader en zijn moeder heetten,
wanneer hij werd geboren, dag en jaar,
nooit zou er iemand zijn die dt kon weten:
de doopboeken zijn weg, geen mens weet waar.

6 En de noordooster wakkerde het vuur en
waaide de zwarte vlokken met zich mee,
en van de werf restte na weinig uren
niets dan een rookwolk, hangend boven zee.

9 Toch, iets nog heb ik van u kunnen vinden
in 't grafboek van uw oude Marker kerk,
omdat het uit 't geweld van vuur en winden
uw teken spaarde en 't nummer van uw zerk.

12 En zes jaar later, gaat het grafboek verder,
deelden zijn kinderen, Neeltje Muus en Jan,
de grafruimte, en Jan Muus kreeg twee derden
en Neeltje kreeg n derde part ervan.

15  Maar eer nog veertien jaren was verlopen
van wind en regen om de wrakke kerk,
moest men haar dakgebint en muren slopen
en brak de grafsteen met Muus Jacob's merk.....

18  Zou de bazuinklank niet zijn oor genaken,
de stem die roept: Muus Jacobse, kom uit!
Hij zal weer staande aan het roer ontwaken,
hij zal het zeil weer hijsen van zijn schuit.

21 't wordt alles wakker in zijn oog en oren
tot de herkenning van de jongste dag,
want uit de zee wordt alle ding herboren,
wat eeuwen in haar schoot verzonken lag.

24 En als van meeuwen, om de mast gevlogen,
weet hij het doel niet, maar beseft het toch:
n is het ernstig glanzen van hun ogen,
hun donkre zeilen en hun zilvren zog.

27  Mij, die als vreemdeling aan de haven
tussen de vissers van mijn voorgeslacht,
die traag de spa greep, als er moest gegraven
saam met het volk dat mij heeft voortgebracht,

30 Leer mij weer God verwachten, leer mij bidden;
ik heb de aardse vastheid zeer bemind,
maar als Gods Geest komt wonen in ons midden,
schrijft Hij geschiedenis met vuur en wind.

33 Als God mij roept, hoe zal ik dan ontwaken
tot de opstanding van mijn vlees en bloed?
Hoe zal ik tot de rechterstoel genaken,
als God de landschappen herrijzen doet?

36 En 'k weet, gij zult ook mij herkennen later,
als vuur en wind zijn door mij heengegaan:
wij varen, vissers van hetzelfde water,
elkaar begroetend op n haven aan.


Prof. dr. KLAAS HANZEN HEEROMA
Hoorn op Terschelling 13 september 1909 -- Groningen 21 november 1972

 

door hier te klikken vindt u meer informatie over prof, dr. K.H.Heeroma